11 – Vlees en geest

 
want zonder mij

‘Naar het vlees’ en ‘naar de Geest’ zijn typische uitspraken van Paulus. Heel vaak worden vlees en geest tegenover elkaar gesteld gezien. Ik denk, dat we niet moeten denken aan tegengesteldheid, maar aan anders, van een andere orde zijn. Inderdaad zegt Paulus dat ” … de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God” (Rom. 8:7), maar daarmee wil niet gezegd zijn, dat de geest vijandschap is tegen het vlees.

Wat moeten we onder ‘vlees’ verstaan? ‘Vlees’ heeft in de Bijbel verschillende betekenissen, die duidelijk worden door het verband waarin het staat. ‘Vlees’ kan betekenen: het tijdelijke leven op aarde of het aardse menselijke lichaam zonder meer (Fil. 1:22,24). Maar ‘vlees’ kan ook betekenen: het tijdelijke leven op aarde, dat vervreemd is van God, en dat is wat Paulus in Rom. 8:5 bedoelt. Hij doelt dan op de mens, die door de zondeval vervreemd is van God.

God heeft tegen Adam in het Paradijs gezegd: “. . .ten dage, dat gij daarvan (van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad) eet, zult gij voorzeker sterven” (Gen. 2:17). We weten echter, dat Adam nadat hij van die verboden vrucht gegeten had nog zeker 800 jaar leefde (Gen. 5:4). Door de zondeval is de mens geestelijk gestorven, vervreemd van de innige wandel met God. Daarom staat er zo dramatisch: “Toen begon men de Naam des Heren aan te roepen” (Gen. 4:26), wat uitdrukking geeft aan de afstand (roepen) die er ontstaan was tussen God en mens. Van hier af aan zegt God niet meer dat de mens naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis is (Gen. 1:26), maar: “Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees” (Gen.6:3), dat is naar het beeld van de gevallen Adam (Gen.5:3).

Jezus zegt tegen iemand, die Hem volgen wil: “Laat de (geestelijk) doden hun (lichamelijk) doden begraven; maar ga gij heen en verkondig het Koninkrijk Gods” (Luk. 9:60). Zonder theologische opleiding krijgt deze man de opdracht om het Koninkrijk Gods te verkondigen. Deze man behoort dus, in tegenstelling tot de (geestelijk) doden, tot degenen die geestelijk zijn, die inzicht hebben in het Koninkrijk van God.

Kortom: Zij die in het vlees zijn, zijn degenen die nog niet opnieuw, geestelijk geboren zijn. Paulus zegt van hen: “Zij kunnen Gode niet behagen” (Rom. 8:8), en: hij kan hetgeen van de geest Gods is niet verstaan (1 Cor. 2: 14). Dat is de vijandschap tegen God uit Rom. 8:7.

Als God de gevallen Adam ontmoet belooft Hij het herstel in ‘de komst van het zaad’ (Gen. 3: 15). Het hele Oude Testament is in feite één voortdurende herhaling, bevestiging, verduidelijking van deze Moederbelofte en deze belofte wordt vervuld in Davids Zoon, Jezus van Nazareth, die de verzoening tussen God en mens tot stand brengt door Zijn kruisdood (2 Cor. 5: 19).

Verzoening (katallagè) betekent wederzijds vermengen. De gezindheid wordt wederzijds gelijk. En dat is door de wedergeboorte. Jezus heeft die weg tot de verzoening bereid: Hij is Zelf die weg. Maar Paulus zegt: “in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen” (2 Cor. 5:20). Een weg kan prachtig zijn, maar is zinloos als men hem niet gaat.

Er zijn mensen die geloven, dat door Jezus de hele wereld met God verzoend is en daardoor wedergeboren. Vooral in het moderne christendom wordt gedacht, dat ieder mens nu goddelijk kan denken. Hoe anders blijkt de werkelijkheid! En hoe anders is het Bijbels getuigenis. Voor ieder mens is door Jezus de weg bereid, klaargemaakt om weer met God verzoend, met God verenigd te leven (Hand. 17: 30). Maar ieder mens moet persoonlijk die weg vinden en gaan.

Jezus heeft gezegd: , ,Zoekt en gij zult vinden” (Matth. 7:7). Maar Jezus zegt in hetzelfde hoofdstuk ook: ” … smal is de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden” (:14). Dit is niet in tegenstelling met elkaar. Eigenlijk staat hier overduidelijk dat weinigen de smalle weg zullen vinden, omdat zij het niet nodig vinden om te zoeken!

 

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>