2 – Geschiedenis B’ulah-hoeve

 
want zonder mij

De B’ulah hoeve is ontstaan, toen gelovigen elkaar vonden in het verlangen naar antwoord op de vraag of de Bijbelse Gemeente hier en nu nog kan bestaan. We hebben met elkaar lang op antwoord moeten wachten. Gedurende die periode bleven we lidmaten van de kerken en kringen waartoe we behoorden, toen we elkaar leerden kennen. Zo ontstond geleidelijk een geloofsgemeenschap van mensen ‘onderweg’.

Aanvankelijk alleen geestelijk met elkaar verbonden ontstond er al gauw een kleine gemeenschap van gelovigen. Hier leerden we, met vallen en opstaan om, heel praktisch, leerlingen van God te worden.

Door alle lessen, onderwijzingen van God heen in het dagelijkse, praktische leven én door het lezen en bestuderen van de Schrift – om daarin het dagelijkse leven met elkaar te toetsen – groeide de leefgemeenschap zo, dat grotere huisvesting moest worden gezocht. Ongeveer tien jaar na het ontstaan van de gemeenschap verhuisden we naar Steenwijk (1973) en daar presenteerden we ons in de kerken van Steenwijk.

In de loop der jaren vervreemdden we, tegen onze wil in, van de kerken en kwamen we steeds eenzamer te staan. Naarmate de kloof tussen de kerken en de leefgemeenschap zich verbreedde, verbreedde die kloof zich ook in ons persoonlijk leven, heel wonderlijk, tussen het bouwen op onze verworvenheden en ervaringen enerzijds, en het ons toevertrouwen als een kind aan de hoede van de Levende Here.

Deze laatste alinea is heel erg belangrijk! Het was iets, wat ons overkwam, als iets dreigends, maar ook als iets wat ons intens boeide. We gingen verstaan wat Paulus schreef: “Om Zijnentwil heb ik (dit) alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen” (Fil. 3:8).

We kwamen tot de schokkende ontdekking dat een antwoord van God op eerder gestelde vraag werd tegengehouden zolang er bij ons een innerlijke weigering bleek te zijn een keuze tussen a. en b. te accepteren. We wilden a. en b. naast elkaar laten bestaan: a. de keuze van de kerk door alle eeuwen heen en b. het aanvaarden van het Bijbelse getuigenis van de Gemeente als volkomen leidmotief, ook voor ons, hier en nu!

Ineens gebeurde het eigenlijk allemaal heel snel: de een na de ander gaf zijn of haar lidmaatschap van de kerk op. Het schokte mij erg. Maar de motivatie schokte mij nog meer: “Als ik lid van de kerk blijf kan ik geen volwaardig lid van onze gemeenschap zijn.”

Ik kon mij tegen deze motivatie niet blijven verzetten. Het was alsof God hierdoor tot mij sprak. Toch bleef ik aarzelen. Maar ik zag hoe de mensen, die deze beslissing hadden genomen, geestelijk tot ontplooiing kwamen, en de stem van God gingen verstaan. Veel veranderde er ten goede in hun persoonlijk leven en ook in huis.

Tenslotte heb ik, die tot de leiding van de leefgemeenschap behoor, ook de knoop doorgehakt en schreef aan de kerk, waartoe ik het grootste deel van mijn leven behoord heb, het volgende:

“Het is ten volle tot mij doorgedrongen dat in feite wederzijds geen enkele binding bestaat tussen de Gereformeerde Kerk Steenwijk en ons. De enige die kan samenbinden is de Here Jezus, wiens Naam wij toch willen eren en belijden. In de laatste brief van de kerkenraad aan ons stond Jezus niet centraal, werd zelfs niet genoemd.
Voor Hem willen wij, wil ik leven. In Hem herken ik anderen, ook in de Gereformeerde Kerk. Deze herkenning zal zeker blijven, ook nu ik per deze mijn lidmaatschap van de kerk opzeg.
Hiermee sluit ik definitief een voor mij zeer trieste periode van bijna veertig jaren af.
Waar we in brochures over de B’ulah hoeve schreven dat we ons werk namens de kerk deden zullen we voortaan eenvoudig zeggen dat we het werk doen in dienst van Jezus, onze Heer.
In die gezindheid willen we openstaan voor allen die Hem zoeken. Daar is Hij Zelf de brug, beter nog de Weg en bindt Hij samen tot de gemeenschap in Zijn liefde.
Ik weet zeker dat, na de beëindiging van mijn lidmaatschap van de kerk, misschien zelfs beter, deze werkelijkheid zal blijken in elke oprechte persoonlijke ontmoeting.
Zo wil ik graag slechts in Hem verbonden zijn.”

Ik schreef deze brief in augustus 1989. Als antwoord kreeg ik dat de brief in behandeling is genomen.

In het schrijven van deze brief heb ik erkend, dat er echt een kloof is ontstaan tussen de kerk en mij. Maar nu komt het schokkende: de kloof tussen mij en de kerk moet innerlijk nog werkelijkheid worden, want de kerk, dat ben ik, de kerk, die zit in mij! Wat bedoel ik daarmee?

Ik wil proberen dit in de volgende hoofdstukken duidelijk te maken. Niet als een verantwoording, maar als een getuigenis van zoiets als een openbaring in mijn leven: het antwoord van God op onze vraag, die we al meer dan twintig jaar geleden Hem voorlegden.

 

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>