4 – Niet de heilsfeiten zelf, maar het gelóóf in de heilsfeiten

 
want zonder mij

Ik geloof dat het fundament, waarop Jezus Zijn Gemeente bouwt niet is: het feit, dat Hij de Christus is, maar op het geloof, dat Hij de Christus is.

De Gemeente kan nooit gefundeerd zijn op een belijdenis óver de Christus, dus b.v. de ware leer, de catechismus, hoe prachtig ook, maar op het belijden dat Jezus de Christus is; op mensen, die dat geopenbaard is door de Vader, die in de Hemelen is. En daar is Petrus op dat ogenblik een voorbeeld van (rotsstukje) in zijn vol aanbidding uitroepen: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Niet Petrus, ook niet zijn belijdenis, maar: Petrus, die belijdt, als totaliteit! Dat is de rots, waarvan Jezus spreekt.

 En zolang er gelovigen zijn, die vol aanbidding tegen hun Levende Here zeggen: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de Levende God!” zal de Gemeente er zijn. En de poorten van het dodenrijk zullen daar geen macht over hebben, d.w.z. de duivel zal daar geen vat op hebben. De Gemeente is dus daar waar de gelovigen Hem als hun Levende Here aanbidden; waar twee of meer in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden (Matth. 18:20). (Zie ook 1 Cor. 14:24,25).

 

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>