3 – Kerk en gemeente

 
want zonder mij

Als ik mij kritisch opstel tegenover de kerk, dan denk ik daarbij niet aan de kerk, zoals die zich manifesteert in ons land in al de mogelijke diversiteiten. Ik wil duidelijkheid over de kerk in mijn eigen ziel, die de openbaring van de Bijbelse Gemeente in en door mijn leven heen, kennelijk in de weg staat.

Het woord kerk vinden we in de Nederlandse vertaling van het Nieuwe Testament niet. Bijna zeker is het Nederlandse woord kerk ontstaan uit het Griekse woord: kuriakè, wat betekent: zij die van de Heer zijn. Een prachtig woord, een prachtige betekenis.

Toch wil ik op de volgende bladzijden het woord kerk gebruiken voor datgene, waar ik van verlost wil worden, omdat ik verlang naar de realiteit van het Bijbelse getuigenis over de Gemeente in mijn leven en werken.

Het woord gemeente is de vertaling van het Griekse woord: ekklèsia. De letterlijke betekenis van dat woord is: er bij name uitgeroepen zijn. In de Griekse vertaling van het Oude Testament is het woord ekklèsia vaak gebruikt voor de vertaling van het Hebreeuwse woord qahal en betekent dan volksvergadering. Ook in het Nieuwe Testament wordt ekklèsia vertaald met volksvergadering, namelijk in Handelingen 19:32,40. Dit was de vergadering van de notabelen van de stad Efeze, die bij name samen geroepen werden.

In het Nieuwe Testament wordt het woord ekklèsia gebruikt voor ‘de gemeente van Christus’, die in Hand.2:47 beschreven wordt als ‘de kring van hen die behouden werden’. Het woord ekklèsia in de betekenis van gemeente van Jezus Christus komt 110 maal voor in het Nieuwe Testament. Jezus gebruikt het slechts eenmaal, maar daarover straks. De beschrijving van de Gemeente van Jezus Christus in Hand.2:47 is heel treffend. Strikt genomen komt het woord ‘kring’ er niet in voor. Het kon misschien beter vertaald worden met: ‘de Here plaatste dagelijks degenen die behouden werden naar elkaar toe’. Dat wil zeggen, dat degenen die tot het geloof kwamen, vreemdelingen op aarde werden en daardoor op elkaar aangewezen werden, elkaar nodig hadden.

Ik ben gelukkig met het woord ekklèsia voor ‘Gemeente’, want dit woord beschrijft een handelen van de Here met mensen: Hij roept ons persoonlijk uit deze wereld.

Kuriakè is een uitspraak, een mening: wij zeggen, vinden, geloven, dat wij van de Here zijn. ‘Gemeente’ vertolkt dus iets dynamisch van God uit: in beweging zijn, vanuit – naar. ‘Kerk’ vertolkt iets statisch, een zijn, iets wat vast is.

Zoals al gezegd: Jezus heeft slechts eenmaal Zich uitgesproken over Zijn Gemeente. Misschien wijst dit erop dat het grote doel van Jezus op aarde niet was om de Gemeente te stichten, maar om voor zondaars de weg te openen tot verzoening met God. Een middel tot dit grote doel kan o.a. de Gemeente zijn.

Als dit waar is moeten wij ervoor zorgen, dat in ons getuigenis niet het middel, maar het doel voor ogen staat: “In naam van Christus vragen wij u: Laat u met God verzoenen” (2 Cor.5:20).

Toch heeft Jezus, die ene keer sprekend over Zijn Gemeente, heel veel gezegd: Mattheus 16: 18. Jezus vraagt aan Zijn discipelen: “Wie zeggen de mensen, dat de Zoon des mensen is?” (: 13). Reken maar dat de discipelen van Jezus hun oor goed te luisteren hebben gelegd. Ze hebben de mening van mensen wel te horen gekregen. Jezus? Dat is een vraatzuchtig mens en een wijndrinker (Matth. 11:19), een vriend van tollenaars en zondaars (Matth. 11:19), een sabbatschender (Lukas 6:2). Ergerlijke laster! Daar reageerden de discipelen niet op. Maar er waren ook betere dingen van Jezus gezegd: Jezus? Dat is Johannes de Doper, die uit de dood is opgestaan; Elia; Jeremia of één der profeten … Jezus reageert hier niet op met een goed- of afkeuring.

“Maar wie zegt gij (de discipelen, die dag en nacht bij Hem waren), wie zegt gij, dat Ik ben?” Petrus, spontaan als altijd, antwoordde: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!” Nu reageert Jezus wel! Hij roept uit: “Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is!”

Petrus heeft dit getuigenis niet gegeven, omdat zijn gezonde verstand, of de ware leer hem dit geleerd had, maar: “Vader, die in de hemelen is.” (Zie ook Johannes 3:27!). En dan spreekt Jezus voor het eerst en ook voor het laatst over Zijn Gemeente. ‘En Ik zeg u, dat gij Petrus (dat is: een stukje rots) zijt, en op de rots zelf zal Ik mijn gemeente bouwen.’ Er worden in deze woordspeling over ‘rots’ toch duidelijk twee woorden gebruikt namelijk petros en petra. Petros betekent een stukje rots en petra de rots zelf.

Petrus wordt door Jezus aangeduid als een stuk rots, maar Jezus bouwt Zijn Gemeente niet op Petrus, maar op Hemzelf (1 Petrus 2:4-9). Maar heel duidelijk gaat het dan niet om Jezus uit Nazareth, maar om Jezus ‘de Christus, de Zoon van de Levende God.’ Niet om de man, die wonderen en tekenen deed, maar de door God gezonden Christus, de Beloofde! Het verhaal van Jezus uit de Bijbel alleen kan ons hier niet van overtuigen, immers de letter doodt, maar de Geest maakt levend (2 Cor.3:6).

 

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>