5 – Jezus zelf bouwt zijn gemeente

 
want zonder mij

Op deze rots zal Ik Mijn Gemeente bouwen”, zegt Jezus. En er staat nergens geschreven, dat wij deze taak van Jezus moeten overnemen. Integendeel! Misschien staat er daarom wel zo nadrukkelijk: “Toen verbood Jezus met nadruk aan iemand te zeggen: Hij is de Christus” (Matth. 16:20). O, die ‘kerk’ in mij, dat spreken óver Hem, zonder Hem te aanbidden, dat statische, dat starre. O God, verlos mij ervan, vergeef mij, Here!

Op de Pinksterdag wordt de uitspraak van Jezus, dat Hijzelf Zijn Gemeente bouwt, nog eens duidelijk onderstreept: ” … en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd “, (Hand. 2:41). En zo bleef dat doorgaan: “En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden” (Hand.2:47).

De Gemeente is van Jezus en niet voor Jezus en bestaat uit mensen, die van Hem zijn en niet uit mensen, die wat voor Hem doen. Want wie wat voor Hem doet zonder gedreven te zijn in de verwondering van Hem te zijn, wordt geoordeeld met: “Gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid; Ik heb u nooit gekend” (Matth.7:23), ook al heeft hun activiteit voor Hem veel resultaat (Matth.7:22).

De aanbidding van Petrus: “Gij zijt de Christus” is niet te maken tot een liturgie of tot een moraal. Aanbidding wordt tot een religieuze dwaasheid als zij niet een spontane reactie is op de klaarblijkelijke aanwezigheid van de levende Here (1 Cor.14:24, 25).

Wie deze realiteit eenmaal geproefd heeft in zijn leven neemt met een ‘veronderstelde’ aanwezigheid van de Here geen genoegen meer.

Het is niet: daar waar wij veronderstellen in Zijn Naam bijeen te zijn, is Hij in ons midden (Matth. 18:20), maar daar, waar Hij in ons midden is, daar zijn we blijkbaar echt in Zijn Naam bijeen. Als Hij echt in ons midden is, kunnen we dat niet droogjes constateren, maar knielen we neer, daar komt echte verootmoediging, aanbidding, schuld belijden en vreugde.

“Gij zijt de Christus!” kan alleen gezegd worden waar de aangesprokene aanwezig is. “Hij is de Christus” kunnen we op elke muur kalken!

Als Hij er is, hoe kun je dan nog óver Hem praten! Neen, dan vraag je, dat Hij spreekt. In die afhankelijkheid van Hem wordt het “want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vader, die in u spreekt” (Matth. 10:20).

 

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>