9 – Hoe krijgt de vervulling van het oude testament door middel van de gemeente gestalte?

 
want zonder mij

De apostel Paulus schrijft de Gemeente van Galatië een verontruste brief, waarin hij vraagt: “Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet of van de prediking van het geloof” (Gal. 3:2). Deze vraag aan de Galaten blijkt een actuele vraag door alle eeuwen heen tot nu toe.

Bij velen leeft deze vraag helemaal niet. Veel christenen zijn ervan overtuigd dat ‘het ontvangen van de Geest’ in den beginne heeft plaatsgevonden, toen God aan Adam ‘z’n gezond verstand’ gaf. .. Vaak willens en wetens, misschien vaker onwetend wegens gebrek aan kennis van de Schrift, ontgaat het deze vrienden dat God weliswaar Adam geschapen heeft naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis (Gen. 1:27), maar dat door de zondeval de mens (geestelijk) gestorven (Gen.2:17; 3:3) en daardoor verduisterd is (Rom. 1:21). De zonen en dochters van Adam waren niet naar het beeld en de gelijkenis van God, maar naar de gelijkenis van de gevallen Adam (Gen. 5:3).

Dan is er een grote groep christenen, die in velerlei variaties geloven dat, als men ingelijfd is bij een kerk, men door de bediening van de doop en andere sacramenten de Heilige Geest ontvangt.

Dan is er nog een andere, heel grote groep christenen die – misschien niet in hun leer, maar wel in hun leven – laten blijken te geloven, dat zij door hun goede werken zover komen, dat zij de Heilige Geest ontvangen.

“Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet of van de prediking van het geloof?” (Gal. 3:2). Die vraag gaat pas leven, als er iets heel wonderlijks is gebeurd in je leven, namelijk als door de prediking van het geloof er een ingrijpende, niet te overziene verandering heeft plaatsgevonden in je leven! “En toen ik begonnen was te spreken, viel de Heilige Geest op hen, evenals in het begin ook op ons!” vertelt Petrus aan de broeders in Jeruzalem (Hand. 11:15). Toen de Heilige Geest op hen viel had er een ingrijpende, niet te overziene verandering plaats in het leven van Cornelius en de zijnen. Er liep iets uit de hand … Zij begonnen anders te praten dan zij geleerd hadden, waarbij hun verworvenheden niet meer centraal stonden, maar God! En zij konden het niet laten Hem groot te maken! Dit is het kenmerk van de ekklèsia: de vervulling van de Wet en de Profeten in Christus Jezus. De prediking van het geloof werkt in de harten van mensen uit, dat zij anders gaan denken, anders gaan spreken, een spreken, waarin God wordt grootgemaakt.

Dan moet je vergeten wat achter je ligt (Fil. 3:14).

Dan acht je voor vuilnis alles wat je eerst van waarde achtte (Fil. 3:7 v.v.).

Dan ga je leven naar morgen toe, naar de morgen, de Grote Morgen, als Jezus komt.

Dat is de openbaring van ekklèsia en dat is wat de kerk altijd heeft proberen in te perken, af te sluiten, omdat er anders niets meer in de hand te houden is. De ekklèsia maakt vrij (Gal. 5:1). De kerk legt aan banden. Waar de kerk spreekt van een veronderstelde wedergeboorte, stelt de ekklèsia een duidelijk sprekende wedergeboorte: “Maar gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen” (Ef. 4:20). “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe Schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Cor. 5:17).

 

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>