10 – Geloofsgehoorzaamheid

 
want zonder mij

Door de prediking van het geloof dus! (Gal. 3:2,5). Maar ook hier moeten we geen verkeerde voorstelling van maken. Vaak zag ik bij het lezen van deze verzen in m’n gedachten zo’n geweldige prediker, staande met een grote Bijbel in z’n handen, voor een grote menigte die door zijn prediking tot geloof kwam. Maar wat er in Gal. 3: 2 ,5 staat, geeft daar helemaal geen aanleiding toe; “werken der wet” staan hier tegenover “prediking van het geloof”. Door het anders te vertalen, dichterbij de grondtekst, wordt de tegenstelling duidelijker en eerlijker. Prediking van het geloof zou hier, dacht ik, beter vertaald kunnen worden met: gehoor geven (akòë) aan het geloof. Ja, dan wordt het een duidelijke tegenstelling. Werken der wet (Deut. 27:26) tegenover gehoor geven aan het geloof (Deut. 30:14). Waarom hierbij Deut. 30:14? Als het juist is om deze tekst hierbij te schrijven, dan onderstreept het weer overduidelijk, dat de ekklèsia de vervulling is van de Wet en de Profeten in Christus Jezus!

Maar is het juist? Dit vraagt om nadere uitleg. ‘Geloof’ is een term die veel in het Nieuwe Testament voorkomt. Het is de vertaling van het Griekse woord pistis, wat betekent: vertrouwen stellen, – krijgen in. Pistis veronderstelt dus een relatie. In de Bijbel veronderstelt het een vertrouwensrelatie met de Heer, die het niet alleen gezegd heeft, nu bijna tweeduizend jaar geleden, maar het ook doet: “Zie, Ik ben met u … , tot aan de voleinding der wereld” (Matth. 28:20).

Het geloof, dus het vertrouwen hebben in God, is niet iets wat van ons uitgaat, maar iets wat God bewerkt, wat God schenkt: “het is een gave van God” (Ef. 2:8,9). Heel duidelijk staat dit ook in Rom. 12:3 en 1 Cor. 3:5. Het ‘gehoor geven aan het geloof’ is dus leven vanuit de geschonken vertrouwensrelatie met Jezus Christus, onze Opgestane Heer!

Dit loopt parallel met de geschiedenis van het volk Israël in de Sinaï. God openbaarde Zich aan hen op de berg (Ex. 19:16,18 v.v.). Daarop gaf God Zijn geboden aan het volk. Dat was een verbondssluiting, een verzoening (Ex. 24:8). Hierdoor ontstond een eenheid tussen God, Zijn geboden en het volk. Deze eenheid komt tot uiting in Deut. 30: 14. Daarin past volkomen harmonisch de uitspraak van God: “Weest heilig, want Ik ben heilig” (Lev. 11:44 v.v.).

De ekklèsia bestaat uit mensen, die zich met God hebben laten verzoenen door het bloed van het verbond in Christus Jezus (2 Cor. 5). Dat verbond der verzoening = eenwording (katalasso ) is het Nieuwe Verbond, waarvan ook de profeet Ezechiël zo duidelijk spreekt: “Ik zal u weghalen uit de volken (ekklèsia) en u bijeen vergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; Ik zal rein water over u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe

geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt (Ez. 36:24 v.v., vergelijk hierbij Deut. 30:14 en Fil. 2:13.).

Voor degenen die dit ondergaan, die dit overkomt, past nog maar één ding te doen, tegenover al de daden van God (Ik zal), namelijk Ez. 36:31: ” … en gij zult van uzelf walgen.” Niet zoals het vaak in zware christelijke kringen wordt gezegd: wanneer wij leren te walgen van onszelf, dan moge het de Here behagen… Wij keren altijd de waarheid om! O, God, vergeef ons onze walgelijke dwaasheden!

Daar waar God, in Christus Jezus, handelend gaat optreden in ons leven (Ik zal), raken we verrukt van Zijn wezen. Daar wordt al ons vertrouwen in onszelf tot dwaasheid. In het leren op Hem te vertrouwen door Zijn openbaring in ons leven, wordt het zelfvertrouwen zelfs tot een dodelijke last: “Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (Rom. 7:24). Iedereen die leert met Paulus mee te juichen: “Gode zij dank door Jezus Christus onze Here!” (Rom. 7:25), gaat tot z’n verwondering ontdekken hoe diep deze verlossing doorwerkt, bevrijdend, genezend. Weg is dan alle zelfgenoegzaamheid en eigengerechtigheid.

De Wet en de Profeten, dus heel het Oude Testament, blijkt dan door het volbrachte werk van Jezus, de Christus, op Golgotha vervuld te worden in hen “die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest” (Rom. 8:4).

Dit laatste: “die niet naar het vlees, doch naar de geest wandelen,” is blijkbaar het antwoord op de eerder gestelde vraag: ‘Hoe krijgt de vervulling van het Oude Testament gestalte?’

 

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>