6 – De gemeente is de vervulling van de wet en de profeten

 
want zonder mij

Jezus is niet gekomen om de wet of de profeten (het Oude Testament) te ontbinden; Hij is niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen (Matth.5: 17).

De wet en de profeten hebben de volmaaktheid niet gebracht (Hebr. 7: 19). Integendeel: de wet doet zonde kennen; zonder de wet zouden wij van geen zonde weten (Rom. 7:7). En het is door de wet, dat wij weten dat niemand rechtvaardig is (Rom.3: 10). Toch waren er mensen van wie gezegd werd dat zij onberispelijk waren naar de wet (Luk. 1:6). Er waren er zelfs die dat van zichzelf beweerden (Luk.18: 21; Fil. 3: 6).

Er moet hier echter sprake zijn van normverlaging. Als er gesproken wordt: “Weest heilig, want Ik ben heilig” (1 Petr.1:16; Lev. 11:44; 19:2; 20:7), als Jezus zegt: “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” (Matth.5:48; zie ook Lev.19:2; Deut.18:13), dan roept dat bij ons verzet op en verdedigen wij ons met zoiets als: “Ja, dat staat er wel, maar God kan dat nooit zo bedoelen, want kijk maar eens naar jezelf. Ben jij dan zo volmaakt, ben jij heilig?” En zonder blikken of blozen erkennen we dan dat niet de Schrift, doch wijzelf tot norm geworden zijn. Maar wie dit, toch heel nuchtere, standpunt inneemt, erkent dat de wet die de volmaaktheid had moeten brengen, krachteloos is gebleken.

Wat een rijkdom, als we gaan verstaan, dat door de uitroep aan het kruis: “Het is volbracht!” en door de gave van de Heilige Geest op de Pinksterdag de wet tot vervulling is gebracht in het ontstaan van de Gemeente van Christus.

Het is precies zoals Paulus zegt: ” … opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons) die niet naar het vlees, doch naar de Geest wandelen” (Rom.8:4). In ons, dat wil zeggen, in hen die uit de wereld geroepen zijn, ekklèsia, om burgers van een rijk in de hemelen te zijn, hier op aarde (Fil.3:20).

De Gemeente van Christus is dus de vervulling van het Oude Testament. Het is niet een nieuw begin, iets nieuws, waar allerlei dingen nog wat bijgeslepen moeten worden in de loop der tijden, aangepast, geëvolueerd!

Wat is de Gemeente van Christus een antwoord van God! Neen, niet een antwoord, maar het antwoord van God, voor degenen die niet kunnen berusten in het onvolmaakte, maar blijven zoeken, naar de vertroosting van het Israël Gods (Luk. 2:25; 2:38). Het antwoord, niet alleen voor mensen als Simeon en Hanna en niet alleen voor mensen als Paulus, die bij het verstaan van dit Goddelijk geheimenis uitriep: “O, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen, en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!” (Rom. 11:33).

Het is ook het antwoord van God voor alle mensen van alle tijden, die zich door de Heilige Geest, de Trooster, laten overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel (Joh. 16:8). Want door alle eeuwen heen zijn mensen onrustig geworden, waar zij dit spreken van de Geest niet overschreeuwden door eigendunkelijke godsdienstigheid (Col. 2:23). Maar deze mensen hebben dan ook ervaren dat de God aller Vertroosting (2 Cor. 1:3) aan degenen, die treuren op eigengekozen wegen, vertelt dat Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven is. Al degenen, die zich temidden van alle religieuze verdwazing door God Zelf laten vertroosten, ontdekken dat geen enkele organisatie, geen enkele kerkelijke leer, geen grote prediker of wat dan ook, uitkomst kan geven, dan Jezus alleen.

Dat is de grote vervreemding van degenen die door God er uit geroepen worden, dwars door alle eeuwen heen. Maar in die vervreemding van de denkpatronen van deze wereld (Col. 2:8 – stoicheia), door de vernieuwing van het denken (Rom.12:2) herkent men elkaar. En zoals Hanna in Jeruzalem onder de vele vrome joden wist wie van hen echt verlossing verwachtten (Luc.2:38), zo vinden degenen die door Jezus uit deze wereld getrokken worden (ekklèsia) elkaar.

Zij organiseren zich niet, maar weten zich organisch verbonden, als het Lichaam van Christus. Zij hebben geen behoefte aan erkenning, want de nabijheid van hun opgestane Here is hun genoeg, die immers Zelf ook geen erkenning heeft gezocht in deze wereld.

De ekklèsia heeft door alle eeuwen heen haar bescheiden, maar vruchtbare plaats ingenomen, zoals een kerklied het bezingt:

 

  • Wij gaan als ingekeerden
  • stil door een vreemd gebied,
  • verachten voor de wereld
  • die men niet hoort of ziet.
  • Maar geeft men op ons acht
  • dan hoort men hoe wij zingen
  • van onze grote dingen:
  • wij weten wat ons wacht.

(Liedboek Voor de Kerken 441)

<< Vorige hoofdstuk  <<                                       >>  Volgende hoofdstuk >>